Schriftelijke vragen conform art. 38 Reglement van Orde

 

Inzake kapvergunning Rademakerstraat 6

 

Aan het College van Burgemeester en Wethouders

 

 

Soest, 18 februari 2014

 

Geacht college,

 

Op 9 december 2013 heeft Heilijgers Projectontwikkeling B.V. vergunning aangevraagd voor slopen, asbestverwijdering en kap bomen rondom gebouwen Rademakerstraat 6 in Soesterberg. Sloop en kap staan in het teken van nieuwbouw Plus-supermarkt, een aantal woningen alsmede parkeren en ontsluiten van het plangebied van in totaal zo’n 10.000 m2. Dit  plangebied wordt gevormd door Veldm. Montomeryweg, Rademakerstraat, Van der Griendtlaan en de Koppenlaan en in dit kader hebben wij de volgende vragen:

 

  1. De aanvrager heeft kapvergunning gevraagd voor 20 bomen, maar heeft vergunning gekregen voor de kap van 27 bomen.

Vraag: hoe gebruikelijk is het dat u kapvergunning verleend voor meer bomen dan aangevraagd?

Vraag: wat is de reden van deze ruimere kapverguning?

 

  1. De reden voor aanvraag van de kapvergunning (officieel ‘omgevingsvergunning activiteit kappen’) is dat er nieuwbouw op deze locatie is gepland, waarvoor nog geen bouwtekening is goedgekeurd noch bouwvergunning is verleend.

Vraag: hoe gebruikelijk is het dat er een kapvergunning  wordt verleend, voordat er een duidelijk totaalbeeld is van de invulling van een terrein?

Vraag: was het bij de invoering van de Wabo (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) niet nadrukkelijk de bedoeling, dat bij bouwaanvragen gekeken werd naar het totaalbeeld, waarbij de mogelijkheid bestond om een bouwblok aan te passen aan de omgeving als dit beter zou zijn voor bijv. de op het terrein aanwezige bomen? Is dat hier ook gebeurd? Zo ja, heeft dat geresulteerd in aanpassing van het bouwplan? En zo nee, waarom niet?

 

  1. Uit de bij de aanvraag kapvergunning gevoegde ambtelijke ‘beoordeling aanvraag/ houtopstand’ maken wij op dat de aanwezige bomen niet zijn in te passen in het bouwplan.

Vraag: is er – indachtig de opzet van de Wabo – ook gekeken om het bouwplan aan te passen aan de aanwezige bomen? Heeft uw college hierop toegezien? En zo nee, waarom niet?

 

 

  1. Uit de verleende Omgevingsvergunning activiteit kappen d.d. 9 januari 2014 is niet op te maken dat aan de aanvrager een herplantplicht is opgelegd.

Vraag: Waarom is er geen herplantplicht opgelegd?

 

  1. In verband met de bouwplannen aan de Rademakerstraat is in februari 2013 een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd door bureau Van den Bijtel ecologisch onderzoek. Deze quickscan is aan de aanvraag kapvergunning gehecht. In dit rapport staat het volgende te lezen: Vleermuizen: De gebouwen in het plangebied en enkele bomen zijn in potentie geschikt als zomerverblijfplaats voor vleermuizen en de buitenkelder kan een functie hebben als winterverblijf. Het open binnenterrein (perceel 5341) zal door vleermuizen worden gebruikt om te jagen. In het plangebied zijn de volgende soorten te verwachten: ruige en gewone dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis. Rosse vleermuis en laatvlieger zullen in het gebied alleen jagen. Van de andere drie soorten kunnen in het plangebied verblijfplaatsen aanwezig zijn. Het kan hierbij zowel om kraamverblijven, zomerverblijven als winterverblijven gaan. Nader onderzoek zal uitsluitsel moeten geven over de aanwezigheid van verblijfplaatsen, met name in de te slopen gebouwen. Alle vleermuizen zijn strikt beschermd (Tabel 3 van de AMvB art. 75) en opgenomen in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn.

Vogels: Tijdens het veldbezoek zijn diverse algemene soorten van erven, tuinen en parken vastgesteld, die ten dele territoriaal actief waren. Het is aannemelijk dat (de meeste van) deze soorten ook in het plangebied broeden, maar gezien de tijd van het jaar waarin de quickscan is uitgevoerd, is dit niet met zekerheid te zeggen. De volgende soorten zijn waargenomen: boomklever, ekster, groenling, grote bonte specht, heggenmus, houtduif, kauw, koolmees, merel, pimpelmees, roodborst, spreeuw, Turkse tortel, vink en zwarte kraai. Omdat alle zomervogels ten tijde van het veldbezoek nog in de overwinteringsgebieden verbleven, zal het aantal soorten dat in het plangebied aanwezig is, groter zijn. De gebouwen in het plangebied, in het bijzonder het vroegere pannenkoekenhuis, zijn in potentie geschikt als broedlocatie voor twee soorten met jaarrond beschermde nesten, te weten gierzwaluw en huismus. Nader onderzoek zal uitsluitsel moeten geven over de aanwezigheid van deze beide soorten. Alle vogels zijn strikt beschermd en opgenomen in de Vogelrichtlijn. De bescherming van de meeste vogels heeft primair betrekking op de broedtijd. Broedlocaties van gierzwaluw en huismus zijn het gehele jaar beschermd. Bij deze soorten dient bovendien beoordeeld te worden of een voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed heeft op de functionaliteit van het leefgebied.

Vraag: In het rapport van Van den Bijtel wordt m.b.t. de vleermuizen nadrukkelijk gesteld dat ‘nader onderzoek uitsluitsel zal moeten geven over de aanwezigheid van verblijfplaatsen met name in de te slopen gebouwen’. Heeft dit onderzoek plaatsgevonden? Zo ja, wat is daarvan de uitkomst? Zo nee, waarom niet?

Vraag: in het rapport van Van den Bijtel wordt m.b.t. gierzwaluw en huismus nadrukkelijk gesteld dat ‘nader onderzoek uitsluitsel zal moeten geven over de aanwezigheid van beide soorten’. Heeft dit onderzoek plaatsgevonden? Zo ja, wat is daarvan de uitkomst? Zo nee, waarom niet?

 

  1. In de Conclusies en Aanbevelingen van het rapport Van den Bijtel staat het volgende te lezen: Van drie soorten vleermuizen (ruige en gewone dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis) kunnen in de aanwezige gebouwen en opgaande beplanting in het plangebied verblijfplaatsen aanwezig zijn.
  • De aanwezige buitenkelder kan als winterverblijf voor vleermuizen worden gebruikt.
  • De gebouwen in het gebied, met name het voormalige pannenkoekenhuis, kunnen een broedlocatie zijn voor twee vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten, te weten gierzwaluw en huismus.
  • De sloop van de gebouwen en de kap van bomen in het plangebied leiden tot het verstoren en/of vernietigen van verblijfplaatsen van strikter beschermde soorten, in het bijzonder vleermuizen en vogels met jaarrond beschermde nesten.
  • De herinrichting van het gebied kan leiden tot het verwijderen van een mogelijk winterverblijf van vleermuizen (buitenkelder).
  • Middels aanvullend onderzoek in de zomer en herfst dient te worden nagegaan van welke beschermde soorten in de te slopen gebouwen of te kappen bomen verblijfplaatsen aanwezig zijn. Dit onderzoek dient zich primair te richten op vogels en vleermuizen en dient te voldoen aan de door de wetgever vereiste onderzoeksvoorwaarden (o.a. vleermuizenprotocol). Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek kan worden bepaald of een ontheffing van de verbodsbepalingen van de Flora- en Faunawet vereist is en kunnen maatregelen getroffen worden om de nadelige effecten van de sloop en de kap te voorkomen of te beperken.

Vraag: heeft dit door Van den Bijtel aangeraden ‘aanvullend onderzoek in zomer en herfst’ plaatsgevonden? Zo ja, wat is daarvan de uitkomst? Zo nee, waarom niet?

Vraag: is er bij de ontwikkelaar op aangedrongen met de nieuwbouwplannen rekening te houden met de in het gebied aanwezige vleermuissoorten, gierzwaluw en huismus? Zo ja, wat is daarvan de uitkomst? Zo nee, waarom niet?

 

Met vriendelijke groet,

 

 

Yolande Gastelaars/Ingrid Koomen-Beerman

 

 

PS: omdat bij ons teveel  onzekerheid bestaat of de aanbevelingen uit het rapport van bureau Van den Bijtel zijn opgevolgd (= aanvullend onderzoek naar verblijfplaatsen vleermuizen en aanwezigheid gierzwaluw en huismus) en de verleende kapvergunning per 20 februari 2014 onherroepelijk wordt, hebben wij formeel bezwaar aangetekend tegen de door uw college op 9 januari 2014 verleende en op 15 januari 2014 gepubliceerde kapvergunning (Reg.nr. 1120440 WABO-2013-0748/1112326)